Leben ist kein Stilleben

 

Leben ist kein Stilleben (Oskar Kokoshka)

n.a.v een ateliervisite bij Elien Ronse, Gent, 18 februari 2011

 

Een stilleven… Ik had schroom om het haar voor te leggen, want het is wellicht de foute ingang tot de ruimte van dit werk. Maar sta me toe die te gebruiken, in de hoop onderweg een goede deur te vinden om het geheel achter te laten. Een roerloos arrangement van dingen, planten, vruchten, dood wild e.d. die door de kunstenaar geordend worden volgens esthetische criteria. Zo kurkdroog luidt de definitie van een stilleven, een genre dat in de kunsthistorie altijd wat meewarig bekeken werd. Het schilderen van dode voorwerpen behield steeds het etiket van academische oefening, van l’art pour l’art, van vingeroefening in virtuositeit. Tenzij de dingen een schijn van allegorie kregen, als metaforen voor de vergankelijkheid van het leven bijvoorbeeld. Denk aan de talrijke gouden eeuw-taferelen van bloemen in de volheid van hun bloei, rijpe vruchten, halfvolle kruiken, schedels en muziekinstrumenten. Halfedele ingrediënten die het schilderen van de dingen rechtvaardigen. Talrijk zijn ook de meesterwerken waarbij schilders zich in de marge van grote bijbelse of historische taferelen stiekem verliezen in een stilleventje. Dat gebeurt dan soms met verdacht veel ijver, zoals bij Carravaggio. Modernen zoals Cezanne, Picasso of Bracke, trokken de voorwerpen uit hun hengsels als aanleiding van een abstract onderzoek. Vandaag behoren zowel de allegorische manier van afbeelden van de dingen, als het loutere vormonderzoek voorgoed tot het “been there, done that” van de schilderkunst. Schilderen op zich is al een vrij anachronistische bezigheid, laat staan het schilderen van een stilleven. Maar net de bevrijding van een programma en het wegvallen van de verplichting om zichzelf te rechtvaardigen, kenmerkt het schilderen van nu. Daardoor kan je met verf en borstel gelukkig opnieuw alle kanten uit. Die van een ecologisch commentaar bijvoorbeeld, waardoor het schilderen van dode, verhandelbare voorwerpen opeens weer heel relevant kan worden. Dat we vandaag omringd zijn door oneindig veel meer dingen dan vroeger, maakt van elk hedendaags stilleven hoe dan ook een knipoog naar de wegwerpcultuur. Overvloed zorgt bovendien voor een andere omgang met het voorwerp. Kijk eens naar de ateliers van stilleven-meesters Paul Cézanne in Aix of dat van Giorgio Morandi in Bologna. Het zijn als heiligdommen waar ieder vaasje of potje een magisch aura kreeg, zoals de ivoren zetstukken van een schaakspel.

 

De voorwerpen van Elien Ronse zijn onherroepelijk van een andere tijd en orde: ze passeren dagelijks haast achteloos door onze handen. De chocopot, de zeepdispenser, de koffiemok en de bidon bruine zeep krijgen door hun massaproductie een air van gratuïte inwisselbaarheid. Niemand maalt om een verloren gezette pot handcrème, tenzij de supermarkt op zondagmiddag sluit, en je bij toeval op dat moment zijn inhoud van doen hebt. Kostbaar is hij al lang niet meer, hij is verkrijgbaar op elke hoek van de straat en allerminst uniek.

 

Haar doeken halen dit soort vormen uit hun anonimiteit en schenken hen een monumentaliteit die op het eerste zicht niet bij ze past. Net daardoor doen ze plots nadenken over hun eigenaardigheid en hun valse vertrouwdheid, als een soort fetisj. Plots valt me dan hard op dat ieder soort shampoo of conditioner wel zijn fles heeft; specifieke vormpjes, die samenhangen met de identiteit van een merk. De plastic kubus met nopjes van Tahiti, de taps toelopende witte bidon van Carolin-vloerzeep. Iemand uit het voetvolk van de marketteers heeft ze ooit bedacht, achter een tekentafel. Hun aanblik hangt af van een combinatie van factoren: de gemakkelijk te openen klik-of schroefdop, het flexibele plastic dat je toelaat een klodder product uit te knijpen, een handig oor. Afgeronde, ietwat steriele verschijningen, licht en stapelbaar omwille van vervoer of economie. Hun goedkope plastic heeft de waanzinnigste kleuren, om fel tegen elkaar op te schreeuwen vanop het winkelschap. Als je ze zo ziet glimmen in een verloren washok, probeer dan even te vergeten waarom ze daar staan en wat hun inhoud is. Elien helpt je door haar voorwerpen te ontdoen van merken en overbodige letters. Dat doet me denken aan een spel uit mijn kindertijd: keihard nadenken over een banaal voorwerp en zijn naam. Vervolgens die naam lang genoeg herhalen tot hij een abstracte reeks klanken wordt en van het gekende beeld lijkt los te weken. Vorm en klank, nietszeggend zonder elkaar, zweven dan heel even als spoken door je hoofd. Een zalige en bevreemdende gewaarwording, die ik telkens zo lang mogelijk probeerde vol te houden, tot betekenisverslaving de spoken weer inhaalde en ze weer oplosten in de betonnen logica van de dingen…

 

Het roemloze design van alledaagse voorwerpen kan op Eliens’ sympathie rekenen. Bejaarde elektrische apparaten ook. Onze ouders deden wel dertig jaar met hun eerste portatiefje. Het kostte dan ook een veelvoud van de exemplaren die we nu even gemakkelijk kopen als een scheermesje, om ze weg te kieperen nog voor het garantiebewijs vergeeld is. Zo ook de toaster, het strijkijzer, de microwave, de koffiezet. In het beste geval belanden ze ooit op het schap van een kringwinkel. Hun specifieke rondingen demoderen al na vijf jaar. Die laatste rustplaatsen puilen dezer dagen ook uit van beeldbuis-t.v’s en monitors. Geen hond die er nog naar omziet. Het platte scherm heeft het pleit gewonnen. Kringwinkels zijn voor Elien een favoriet jachtterrein. Ze sprokkelt er fotomateriaal van de afdankertjes, gestapeld in een rek, gesorteerd naar kleur of functie. Daar, of in willekeurige keukens en washokken. Iedere geopende ijskast of keukenla is als een volgestouwde Wunderkammer: conserven, blinkende bokalen en Tupperware. De kijker als voyeur, de gestolde Sonia Kimpe-blik. In het atelier van Elien, een klein provisoir kabinet in Sint-Lukas, slingeren prints van die oogst rond. Stillevens componeert ze niet met zetstukken. Ze kiest uit die gevonden constellaties cadrages, waardoor je ze als vertrouwd ervaart, soms op het onbehaaglijke af. Hun plaatsing draagt de logica van het moment en het gebruik in zich. Zorgvuldig en op kousenvoeten regisseert ze al schilderend je kijken. Een doos fruitsapbricks zie je op haar doek van bovenaf, als uit een ooghoek bij het legen van de autokoffer na het wekelijkse Colruyten. Spuitbussen en flesjes krijgen het kikvorsperspectief van hun echte broertjes bovenop het kastje in de berging.

 

Licht is in deze werken ontluisterend nuchter, en het verraadt soms de tussenweg van de fotografie, omdat het een flits doet vermoeden. Het heeft in niets meer van de warme gloed waarmee we klassieke stillevens associëren. En net daardoor fascineert het. Dit soort beelden zijn gesprokkeld in ruimtes waar men niet de moeite doet om sfeerlicht te brengen. In de achterkeuken vibreert doorgaans een heldere T.L., of een peer zonder armatuur, die alles vrij hard en abrupt uit de donkerte snijdt. Het weerkaatst onmeedogenloos op formica kastdeuren, het email van de apparaten, of het inox van een achtergelaten pan. Het hakt duidelijke scheidingen tussen vlakken en het wist details en structuren uit. Het is een licht dat uitstekend rijmt met ons zakelijk denken. Een soort “sign of the times”, dat je ook in de foto’s van Dirk Braeckman of bij schilders als van Koen Van den Broeck of Tina Gillen terugvindt. Er valt moeilijk een vinger te leggen op de werkwijze waarmee Elien Ronse het doet stollen op doek. Het moet in de economie zitten waarmee ze verf aanbrengt; horizontaal en mager getoetst. Met korte, harde schaduwen, abrupte overgangen, veel wit en bijtende signaalkleuren. Maar dat leidt in Eliens’ geval zelden tot troosteloosheid en ontnuchtering. Het verbaast dat zelfs in dit genadeloze afbeelden ontzettend veel poëzie en speelsheid te rapen valt. Alsof de dingen, ontdaan van een verhaal en uitgekleed, op zichzelf reden genoeg blijken te zijn tot verwondering. Geen wonder dat op de hoek van haar ateliertafel catalogi van René Heyvaert of Mark Dion rondslingeren. Geen schilderkunst, gewoon voedsel voor dat soort van kijken: Heyvaert kon met Brinta-dozen waar Warhol met Campbells-blikken nooit in slaagde: een vormpje, hoe simpel ook, lossnijden van zijn icoon en in al zijn simpelheid als gedicht laten spreken. Dion is minder kinderlijk, maar even relevant: een archeoloog die naar boven graaft en simpele dingen van vandaag inventariseert en indeelt. Als om te verwittigen dat iedere terugblik van morgen bij voorbaat vertekend zal zijn door interpretatie en je maar beter van de vorm zelf gaat houden.

 

Frederik Van Laere